Go to Top

Groentje 5 Verrassing 27 juni 2020

We waren er even een paar dagen vantussen, mijn lief en ik. Met de camper, zonder hond. Echt rust. Genieten dus.
Mijn vrouw was op een van die dagen jarig. Ik dacht, laat ik eens gek doen en fietste ’s morgens vroeg naar de naburige akker. Daar stonden een paar hectares met bijna uitgebloeide pioenrozen. Pal ernaast een akker met  rogge.

Toen ik daar allemaal mooi bloeiende akkerkruiden in zag staan, vooral kamille en korenbloemen, moest ik meteen aan mijn moeder denken. Ze is dit jaar 95 geworden. Wel wat vergeetachtig, maar dankzij de goede verzorging heeft zij het nog prima naar haar zin in het huis waar ze woont.

Mijn moeder komt van de boerderij: veehouderij, akkerbouw, groot gezin en knechten en meiden. En dan nog de seizoensarbeiders tijdens drukke tijden zoals de graanoogst. Daar komt mijn moeders gevleugelde uitspraak vandaan: ‘Het is hier geen korenbouw!’, als wij vroeger als kinderen veel drukte maakten.

Opa, haar vader, had een kringloopbedrijf zoals bijna elke boer in die tijd. Hij hield koeien en varkens. Het voer verbouwde hij zelf en de mest, vermengd met stro, ging op het land. Ongeveer hetzelfde systeem als wat onze huidige minister van landbouw voor ogen heeft. Circulaire landbouw. Goeie ouwe tijd.

Opa verbouwde ook aardappelen en andere consumptiegewassen voor de verkoop. In die tijd hadden ze ook al coloradokevers en andere kleine vreters die de oogst behoorlijk konden doen mislukken. Daartegen spoten ze dan met heftige insecticiden die hier inmiddels verboden zijn, maar in sommige derdewereldlanden nog gebruikt worden. Toen Opa zijn land had behandeld met zo’n middel moest de hond binnen blijven. Een prachtbeest dat goed op ratten kon jagen. ‘Hij haalde ze uit ’t veld, beet ze dood en legde ze in een rijtje voor je neer’, vertelde mijn moeder vol trots. Ome Loet, die ook gek op de hond was, kwam die dag thuis en ging meteen met de hond naar buiten om op ratten te jagen. Een dag later was de hond dood. Gelukkig maar dat dat soort middelen hier verboden zijn. Nu de rest van de chemische ‘gewasbeschermingsmiddelen’ nog.

Mijn moeder hield van tuinieren. Ze had dan wel geen moestuin, maar af en toe zaten we toch met zijn allen aan tafel om ladingen gekregen of gekochte vruchten of snijbonen te verwerken om ze in te vriezen. Eén keer per jaar kwam de slager bij ons om in de schoongemaakte garage een half varken in stukken te snijden. De kant-en-klare lapjes belandden eveneens in zakjes in de diepvries. We aten dan nog dagen van de uitgebakken kaantjes. Sterk van smaak en moddervet, maar lékker! Dat waren van die dagen dat je je een beetje kon voorstellen hoe het vroeger toeging op de boerderij.

Mijn moeder ging heel nuchter met de natuur om. Als een vogeltje tegen het raam vloog en op straat lag te spartelen, dan pakte ze het op en gooide het beestje hard tegen de muur. ‘Je moet zo’n beestje niet onnodig laten lijden’, aldus mijn moeder. Toen ik dat zag, schrok ik daarvan, maar besefte al gauw dat het goed was.

Mijn moeder is dan wel opgegroeid op een circulaire boerderij, in haar eigen tuin wilde ze de blaadjes in de herfst toch wel graag opgeruimd hebben. Na noeste arbeid waren de bladeren uit de tuin in een flink aantal vuilniszakken beland. Ze vroeg mij als opgeschoten puber om die zakken aan de weg te zetten. Waarschijnlijk had het circulaire gedachtegoed een generatie overgeslagen en was ten volle bij mij beland. Ik zag de kale tuin en al die plastic zakken. Even later lag al het blad weer netjes verspreid door de tuin. Ik weet niet wat mijn moeder van deze verrassing vond, maar ik kan mij geen boze woorden of strafmaatregelen herinneren.

Afijn, daar deed die nostalgische roggeakker met korenbloemen mij dus aan denken. Ik maakte een mooie bos bloemen van wat de akker mij bracht en kuste mijn prinses wakker. Aan het eind van die dag keek ze me liefdevol aan en fluisterde: “Ik heb nog nooit zo’n fijne verjaardag gehad.”