Go to Top

Groentje 9 Heel gewoon 22 september 2020

Psssst, kom gauw mee. Weg uit die mollengang, want Momfer lust mij rauw. Maak je maar wat smaller. Kruip achter mij aan en betreed mijn koninkrijk.

Sommigen noemen mij onderkruipsel of gebruiken mijn naam om aan te geven hoe laag ze iemand vinden. Gelukkig zijn er steeds meer, die mij op waarde weten te schatten. Dit jaar op Prinsjesdag is er zelfs een grondrede aan mij gewijd. Ik zal Peter vragen of hij die via deze gang door kan geven. Maar laat ik mijzelf niet te hoog in de hemel prijzen, dat past mij niet.

Laat ik mij even voorstellen. Lumbricus terrestris is de naam, letterlijk: worm van de aarde. Noem mij maar gewone regenworm, want dat zeggen de meesten tegen mij. Ik ben de meest voorkomende van de 22 soorten wormen in de lage landen. Bescheidenheid siert mij. Ik doe niks bijzonders. Ik eet mij een beetje door de aarde heen, vooral omhoog en omlaag, als een pendelaar. Als ik een blaadje tegenkom, dan eet ik dat op en maak dat fijn. Mijn lichaam bestaat uit zo’n 125 tot 175 schijfjes, segmenten. De eerste schijf bevat mijn mond, de laatste is mijn anus. Deze twee worden verbonden door mijn darm. Eigenlijk ben ik een kruipende darm.

Soms trek ik een blaadje tussen de tegels naar beneden. Dan laat ik die expres even zitten, zodat men zich gaat afvragen hoe dat blaadje rechtop tussen die tegels terecht is gekomen. Vind ik grappig. Als ik het vermalen blaadje met zand weer uitpoep, dan zit er een slijmerig laagje omheen, waardoor het zand mooi aan elkaar blijft plakken. Samen met het verteerde blaadje vorm ik zo mooie hoopjes humus.

File source: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:PlantLitterEarthwormsPlatanusLeaves.jpg

Die wormenhoopjes blijven vaak in de grond achter, maar soms ook druk ik ze naar boven. Dan komen ze óp de grond terecht. Aan die hoopjes kun je zien hoeveel soortgenootjes ik heb. Dat kunnen er 60 per vierkante meter zijn, maar ook wel meer dan 400. Op een vruchtbaar stukje grond kunnen we met zijn allen in een jaar tijd wel 40 tot 80 ton aarde per hectare door onze darmpjes laten glijden.

Niks bijzonders, ik doe gewoon waar ik goed in ben, eten en poepen en gangen maken, zodat er lucht de grond in kan komen en het water goed gereguleerd wordt. Geef ons heden ons dagelijks brood, oftewel een lekkere strooisellaag van blaadjes en groenafval en ik maak het fijn en breng het terug in de grond. Puur goud!

Daarmee zorg ik meteen voor de bodemstructuur, lucht en waterregulering en ik zorg dat de stikstof in de bodem opneembaar wordt voor de planten. Door de humus wordt koolstof vastgelegd in de bodem, zodat deze niet als CO2 vervliegt. Leuk toch voor een gewone worm?

Ik hou trouwens niet van zout, dus strooi maar liever geen kunstmest. De drijfmest die tegenwoordig zoveel op het land geïnjecteerd wordt, daar verzuip ik in. Vroeger gebruikten ze vaste stalmest gemengd met stro. Daar lustte ik wel pap van. Daar kon ik de akkers vruchtbaar mee maken en zorgen voor gezonde planten en hogere opbrengsten. Als het regent, dan verzuip ik niet zo gauw hoor. Ik kan prima in het zuurstofrijke water overleven. Ik kruip dan echter wel naar boven, want ik denk dat de trilling van de druppels door het graafwerk van een mol komt. Ik vlucht naar boven. Gefopt. De merel kent dit trucje en trippelt heen en weer. Dan wordt ik dubbel gefopt. De merel neemt een hapje van me en als hij dat netjes doet dan kan ik dit navertellen. Ik kan mijn lijf weer herstellen, als de wond niet al te lelijk is. Een deel van mijn achterlijf en de eerste vier segmenten kan ik weer aan laten groeien, inclusief mijn mond.

Heeft iemand een vijgenblaadje voor mij? Daar tussen mijn tweeëndertigste en zevenendertigste segment, zie je die lichter gekleurde dikkere band? Het zadel. Dat zijn mijn geslachtsorganen. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke. Ik ben hermafrodiet. Ik hoef alleen maar een ander leuk wormpje te zoeken om lekker bij elkaar tegen het zadel te kruipen. En hup, er zijn allemaal babywormpjes. Meer intieme details ga ik niet geven hoor. Kijk zelf maar op internet en wikipedia. Daar weten ze alles van me. Daarvoor ben ik helemaal doorgelicht, als ik daar nog aan terug denk. Brrr, laat mij maar gewoon door de grond kruipen. Blaadje hier, maaisel daar, laat maar liggen, ik ruim het graag op en maak er wat zwart goud van, geen punt.

En hier laten we Lumbricus achter om zijn ‘gewone’ werk te doen. We dringen steeds meer door in de wereld van het kleine, onbekende, dat daar vlak onder onze voeten kruipt en leeft. Ik ben benieuwd wat we op onze volgende tocht tegen gaan komen.